DonerenNieuwsbrief
HomeThema'sResultaatgebiedEmployability van jongeren

Verhaal - De universiteit van het leven

In Senegal leer je al doende

Veel jonge Senegalezen volgen hun opleiding bìnnen een bedrijf, in de praktijk: wie wil vissen, gaat de zee op – de ervaring komt vanzelf. Maar het meeste werk is informeel, met lage lonen en zonder zekerheden. De vakbond wil nu meer kansen creëren voor de jeugd, met examens en diploma’s. Een reportage.

 

Met een mengeling van verlegenheid en trots wrijft Abdul Khadre over zijn bovenarm. Zonder iets te zeggen spant hij hem steeds even aan – een flinke spierbal komt tevoorschijn vanonder zijn Portugese voetbalshirt.

Hij staat op de kade in de haven van Rufisque, een voorstad van Dakar, waar nu de buit van vandaag wordt binnengehaald.

De laatste prauwen varen binnen, de traditionele houten boten waarmee Senegalese vissers de zee opgaan om sardinella te vangen voor de thieboudiene, het nationale gerecht van rijst en vis. Voor Abdul Khadre zit de dag erop; het werk is nu aan de jongens die de vis aan wal brengen. Met druipende kratten op hun hoofd balancerend sjouwen ze af en aan van boot naar kade. Op het asfalt wordt de vangst uitgestort voor de klaarstaande kopers.

Naast sardinella zijn er sardientjes en dorades, een kar vol zwaardvis rijdt voorbij. Het is een grauwe zondagmiddag – gunstig voor de vangst, zegt Abdul Khadre, dan zwemmen de vissen dichter onder het wateroppervlak. Al jaren werkt hij hier in de visserij, hij kent niet anders, kijk maar naar die sterke armen. Net als de andere jongens uit de stad kwam hij hier als kind al dagelijks. Dan raapten ze de gevallen vissen van het strand om te verkopen. Nu gaat hij mee op de boot om zelf te vangen.

Een jongeman vertrekt uit de haven - de gekleurde prauwen liggen aan wal, de werkdag zit erop.

 

Daglonerswerk is het Verdienen doe je per dag, het vak leer je op zee. Zonder arbeidsovereenkomst, zonder opleiding of diploma. Zonder zekerheden.

Kunnen meevaren is een zaak van ’s ochtends vroeg aan wal staan. Zo gaat het voor veel mensen die in de haven aan het werk zijn – van de ‘vervoerders’ die de vracht binnen brengen, de meisjes die zakjes zout verkopen om de vis te conserveren, de vrouwen die de vis ter plekke schoonmaken of vermalen tot gehakt –, het merendeel van de banen hier is informeel.

Naar schatting biedt de visserij werk aan zeventien procent van de beroepsbevolking – al lopen de cijfers uiteen, want informeel werk laat zich moeilijk vangen in statistiek. De visserij is bepaald geen uitzondering: volgens een rapport van de Wereldbank uit 2018 werken negen van de tien werknemers in de informele economie.
 

Oppervlakkig gezien gaat het economisch voorspoedig in Senegal. Al jaren groeit de economie met ruim zes procent en de vooruitzichten zijn goed. Vanaf 2022 zouden de groeicijfers nog rooskleuriger worden, dankzij de voorziene buitengaatse winning van olie en gas.

Toch zijn armoede en ongelijkheid in het West-Afrikaanse land hardnekkig. Volgens de Wereldbank is dat voor een groot deel toe te schrijven aan de zwakke arbeidsmarkt; de beroepsbevolking groeit sneller dan het aantal banen. Onder jongeren bedraagt de werkloosheid negen procent, tegenover zes procent in het algemeen. Bovendien is bijna twee derde van de jongeren inactief, een relatief hoog cijfer. En voor wie werk heeft, is dat vaak informeel, onder kwetsbare omstandigheden, lage lonen en haast geen sociale bescherming.

Het vinden van een “echte baan” vóór je vijfendertigste is hier zeldzaam.

Zodoende leeft ruim twee derde van de werkende jongeren tussen de vijftien en 35 jaar in armoede. Om perspectief te bieden aan de snelgroeiende jonge bevolking zijn werkgelegenheid en fatsoenlijke banen cruciaal. Maar met name werkgevers in de private sector klagen dat het gat tussen de vaardigheden die zij vragen en die jongeren kunnen bieden te groot is. En het Senegalese onderwijs bereidt maar nauwelijks voor op de arbeidsmarkt.

Hoe kun je ervoor zorgen dat de vaardigheden van jongeren beter aansluiten op de arbeidsmarkt? En hoe breng je jonge mensen van informeel naar formeel werk? Een rondgang langs overheid, vakbonden, werkgevers en jongeren zelf.

Pikine, vastgeplakt aan de oostzijde van Dakar, wordt vaak een buitenwijk van de hoofdstad genoemd, maar met ruim een miljoen inwoners is het officieel de tweede stad van Senegal. Het is een plaats die zichtbaar explosief tot stad is verworden; onverharde zandwegen leiden door opeengepakte huizenblokken, de muren ongeverfd en grauw, de vele winkeltjes geïmproviseerd van lappen stof en houten palen.

Veel van de Senegalezen die het platteland ontvluchten op zoek naar werk in de hoofdstad, komen hier terecht. Ook de vakbond UDTS (Union Démocratique des Travailleurs du Sénégal) zetelt hier. Deze lokale bond werkt samen met de Nederlandse vakbond CNV Internationaal aan de inzetbaarheid van jongeren, door hen onder meer actief te betrekken bij beleid dat hen aangaat.

Bij de bond kreeg hun stem een vaste plaats met een speciaal jongerencomité, het Comité National des Jeunes de l’UDTS (CNJ).

Vakbondstraining voor jongeren

Via CNV Internationaal krijgen de jongeren onderhandelings- en lobbytrainingen, waarin de CNV-methode van sociale dialoog centraal staat: in plaats van staken en in confrontatie met de overheid voor rechten opkomen, ligt de focus op overleg. Door te zoeken naar gezamenlijke belangen kom je eerder tot duurzame oplossingen, is het idee.

Vandaag vergadert het CNJ in Pikine over de inzetbaarheid van jongeren. ‘Een tikkende tijdbom’, zegt voorzitter Malick Sow met zachte stem. ‘Meer dan de helft van de Senegalezen is jonger dan dertig en elk jaar komen er tweehonderdduizend extra jongeren de arbeidsmarkt op. Dat is een immense uitdaging.’

Zelf heeft Sow een IT-consultancybedrijf, dat hij na een tweejarige studie opzette met hulp van de vakbond. ‘Bij UDTS kreeg ik training in ondernemen, personeelszaken en arbeidsrecht – vaardigheden die je op school niet opdoet. Zo kon ik zelf aan de slag, in plaats van af te wachten.’

Officiële banen zijn er sowieso al weinig en àls ze er zijn, komen jongeren vaak niet in aanmerking, zegt Sow. ‘Bedrijven vragen altijd minstens een paar jaar ervaring, maar waar moeten we die opdoen?’ Een voorstelrondje langs de leden van het jeugdcomité maakt het antwoord daarop duidelijk: stuk voor stuk vertellen ze hoe ze stage aan training aan stage koppelden voordat ze bij hun huidige baan belandden. Drie van de zeven jongeren – van wie de meesten tegen de dertig lopen – werken in de formele sector. ‘Een geluk,’ zegt Sow, ‘want het vinden van een “echte baan” vóór je vijfendertigste is hier zeldzaam.’

Verpleegster Khady Diakhaté is lid van het jeugdcomité van vakbond UDTS.

Een geluk, ja – ‘maar het overkwam mij niet zomaar’, zegt Khady Diakhaté, gekleed in blauw verpleegsterstenue met bijpassende hoofddoek. ‘Tijdens mijn opleiding tot verpleegster was stagelopen een vast onderdeel van het programma, maar het lukte niet na mijn afstuderen een betaalde baan te vinden.’

Het openbaar ziekenhuis in Dakar vroeg haar eerst voor een stage van drie maanden, daarna kreeg ze nog tweemaal een stage van drie maanden aangeboden. ‘Ik nam het aan’, zegt ze, ‘in de hoop zo een plekje te bemachtigen.

"Na negen maanden onbetaalde stage ben ik twee maanden weggebleven, ik redde het niet meer. De vakbond begon toen met mijn baas te onderhandelen. Nu werk ik eindelijk onder contract."

Verpleegster Khady Diakhaté

Dat werkgevers eerst vragen om stage te komen lopen, vinden de jongeren niet zo gek – het is een bekend probleem dat Senegalees onderwijs vaak niet aansluit bij wat er op de werkvloer wordt gevraagd. Opleidingen zijn veelal algemeen en niet beroepsgericht. Een stage geeft jongeren op zijn minst de mogelijkheid de gevraagde ervaring op te doen.

Vakbond onderhandelt over stages

Vakbond UDTS onderhandelt daarom in het cao-overleg ook over het creëren van stages. ‘Maar dat voor die stages soms niets wordt betaald, is niet eerlijk en niet houdbaar’, zegt voorman Sow. ‘We dringen bij de overheid aan op het afschaffen van onbetaalde stages. Ze geeft ons principieel gelijk, maar we zijn er nog niet.’

‘Onze jeugd, energiek en creatief, belichaamt de hoop en kracht van Senegal. Zij zal op de eerste plaats blijven staan’, beloofde president Macky Sall bij zijn herverkiezing in februari. ‘We zullen nog meer investeren in werk en inzetbaarheid voor jongeren.’ Het is een belofte waarmee hij in 2012 de zittende president Abdoulaye Wade wist te verslaan, die twaalf jaar daarvoor als ‘president van de jeugd’ nog de massale stem van jonge Senegalezen had gekregen. Maar wat had Wade – die de tachtig ruim voorbij was – voor ze gedaan?

Met die vraag schudden de jongeren van Y’en a Marre (‘we zijn het zat’) Senegal wakker. De beweging van journalisten en rappers spoorde de jeugd met muziek en protestbijeenkomsten aan tot politieke bewustwording. Het leidde tot massale demonstraties in aanloop naar de presidentsverkiezingen.

Dat was opvallend voor het land dat altijd wordt geprezen om zijn stabiliteit. Senegal is het enige land in West-Afrika waar sinds de onafhankelijkheid geen coup of burgeroorlog plaatsvond. Ten slotte moest Wade plaatsmaken voor Macky Sall, die de verkiezingen won.

De jongeren van UDTS lijken geduld met hun huidige president te hebben. Het jeugdcomité van de bond maakt ook deel uit van de Nationale Jeugdraad, die jongeren vertegenwoordigt in gesprek met de overheid en maatschappelijke organisaties over jeugdbeleid. ‘We voeren goed overleg met de regering’, zegt Sow. ‘Natuurlijk is er veel werk te doen, maar niet alles ligt in de handen van de president.

Praktijkgerichte opleiding

Voor ons is het van belang dat de regering erkent dat inzetbaarheid van jongeren een wezenlijk thema is – en dat doet ze.’ Een voorbeeld van succesvolle onderhandelingen tussen vakbonden, overheid en werkgevers is het programma École-Entreprise, dat vorig jaar door de president is gelanceerd als onderdeel van zijn strategie voor een ‘opkomend Senegal’. In drie jaar tijd moeten 25.000 jongeren een plek krijgen in deze praktijkgerichte opleiding.

‘In Senegal is dit de eerste opleiding naar Zwitsers model’, presenteert Mbaye Sarr trots. Hij is de voorzitter van de commissie beroepsopleiding van werkgeversvereniging CNES en zag met eigen ogen hoe jongeren in Zwitserland grotendeels op de werkvloer worden opgeleid.

Razend enthousiast is hij over het duale model. ‘Jongeren leren wat een bedrijf van ze nodig heeft en de scholing sluit naadloos aan op de arbeidsmarkt. Ze maken ook meteen kennis met de  bedrijfscultuur.’ 

Hij noemt de training van 24 jongeren bij het vijfsterrenhotel Terrou Bi aan de kust in Dakar, die bij wijze van proef een interne opleiding in de horeca kregen. Het heeft de baankansen van de deelnemers flink vergroot, zegt Sarr. ‘Negentien van hen hebben nu een baan – een aantal bij het hotel zelf, de rest is dankzij hulp van de baas elders aan werk gekomen.’

Vanaf zestien jaar kun je bij École-Entreprise kiezen tussen diverse sectoren, van horeca en toerisme tot aan energie, landbouw, transport en elektromechaniek. Het ministerie van Werk, Beroepsopleiding en Ambacht koppelt de jongeren aan bedrijven. ‘Tienduizend plaatsen zijn reeds beschikbaar’, zegt Michel Faye, de coördinator namens het ministerie. ‘Aan ons de taak de komende jaren zoveel mogelijk bedrijven aan ons plan te binden.’

Een van de weinige vrouwen die rond het slachthuis werkt, draait worstjes van schapenvlees

Daarbij moet Mbaye Sarr hem namens de werkgevers helpen. ‘Het eerste jaar betaalt de overheid veertigduizend CFA-frank’, zegt hij. Ofwel: zestig euro, tegenover het Senegalese minimumloon van negentig euro per maand bij voltijds werk. ‘Het tweede jaar halveert de bijdrage en vult het bedrijf de twintigduizend aan. Het laatste jaar is die verhouding tienduizend tegenover dertigduizend frank.’

Een goede afspraak voor iedereen, vindt hij: ‘Na drie jaar heeft de student een diploma dat meer waard is dan bij een theoretische opleiding en de werkgever heeft een goedopgeleide werknemer die gevormd is naar het eigen bedrijf.’

Eigenlijk is het niets nieuws, zegt Abou Sy van vakbond UDTS. Hij staat midden in het slachthuis van Dakar, omringd door halve koeienkarkassen die klaarhangen om in stukken verdeeld te worden. Hij werkt nu voornamelijk als penningmeester bij UDTS, maar is zijn werkende leven hier begonnen.

‘Wij doen al jarenlang aan opleiding op de werkvloer’, zegt hij. ‘Het enige verschil is dat je hier niet afstudeert met een diploma.’ Abou Sy kwam hier terecht na zijn opleiding tot docent geografie.

Hij kon geen baan vinden en leerde zijn geld verdienen als een soort makelaar in vlees. In zijn wijk kocht hij schapen en geiten op, om ze hierheen te brengen en te slachten. Het vlees verkocht hij door. ‘Een academicus in de slagerij’, grinnikt hij. ‘Maar met boekenkennis kom je hier niet ver. In Senegal bestaat er sowieso geen officiële opleiding tot slager. Het vak leer je hier, in het slachthuis.’

In het slachthuis van Dakar lopen informeel en formeel werk door elkaar heen.

De scheidslijn tussen de informele en formele sector loopt hier dwars over het terrein. Aan de achterkant van het slachthuis drijven mannen – informeel – een schijnbaar eindeloze rij runderen richting hun noodlot. De mannen zetten ze een voor een vast in de stelling, snijden de keel door en leggen het natrillende lijf op de stapel, dat straks aan de kabelbaan langs het personeel komt en van de ingewanden wordt ontdaan; formeel werk, door gecertificeerde werknemers in dienst van het slachthuis.

Verderop in de verkoopzaal staat een jongen druk te onderhandelen met een familie over een stuk vlees. ‘Khadim’, stelt hij zichzelf voor. Ook hij handelt in vlees. Vijf runderen heeft hij vandaag meegebracht.

‘Geen hoofdprijs,’ zegt hij, ‘soms kom ik wel tot tien stuks.’ Maar het komt niet slecht uit: de koeling is kapot. ‘We zijn in onderhandeling met het slachthuis over reparatie, maar de vraag is wie ervoor zal betalen...’ Het is een van de nadelen van informeel werk, geeft hij toe. Maar wat heeft hij voor keuze? Zonder papieren is er nauwelijks een alternatief. ‘Dat is iets waarbij de vakbond kan helpen’, zegt Abou Sy van UDTS.

Hoewel hij hier nog steeds af en toe komt als vleesmakelaar, neemt zijn vakbondswerk een steeds grotere plaats in.

‘Ons kernwoord is: formaliseren. Jongens als Khadim bezitten wel de vaardigheden, maar niet de formele erkenning ervan door een diploma. Dat maakt ze kwetsbaar.’ Zo heeft Khadim zonder diploma niet de mogelijkheid als slager te solliciteren voor een formele baan bij een restaurant – met meer sociale rechten en bestaanszekerheid.

‘Met examens en certificaten maak je deze jongeren onafhankelijker’, zegt Sy. ‘Dan kunnen ze een hogere prijs vragen of solliciteren voor een vaste baan, waarbij de salarissen tot wel drie keer zo hoog zijn.’ Het vormt een van de speerpunten in de lobby bij de overheid. Intussen spoort Abou Sy de jongeren vooral aan zich te organiseren. ‘Als ze zich samen laten horen, zullen de bazen hier eerder bereid zijn naar ze te luisteren.’

In het naaiatelier van Diamaguene worden meisjes zonder basisschooldiploma opgeleid in het vak

Het naaiatelier van drie couturiers in de buurt Diamaguène in Pikine toont hoe het certificeren van vaardigheden van jongeren hun kansen kan vergroten.  De drie vrienden Bada Mbaye, Ameth Guisse, en Moussa Fall zagen hoe met name de meisjes in hun wijk worstelden met gebrek aan toekomstperspectief. Velen van hen stopten met het basisonderwijs, door geldgebrek of omdat ze moeilijk konden meekomen.

Ze besloten buiten hun eigen zaken om een naaiatelier te openen waar meisjes en jonge vrouwen het vak kunnen leren. Zelf geven ze er vrijwillig les, de meisjes betalen vijfduizend frank per maand. Momenteel volgen 140 meisjes tussen de dertien en 35 jaar hier een opleiding.

Het is behelpen; per jaargang is er één lokaal beschikbaar en in totaal valt er een tiental naaimachines te verdelen. Het zijn klassieke, zwarte vintagemachines van Singer, ‘een donatie van de Amerikaanse ambassade’, zegt Guisse. Het atelier is afhankelijk van donaties van stof en ander materiaal en een meerjarenplan maken is er daarom niet bij. Vooruitgang komt in kleine stapjes. 

Onlangs besloot de overheid hun opleiding officieel te certificeren – de meisjes krijgen nu een echt diploma en dat werpt vruchten af. Trots overhandigt Mbaye een contract van een van hun oud-leerlingen: ze werkt nu bij het leger, waar ze de kostuums van soldaten verstelt.

Traditionele Senegalese kleding: eindexamenopdracht op de naaischool

Het is een zeldzaam voorbeeld van een meisje dat zonder basisschooldiploma tòch de weg naar formeel werk weet te vinden, dankzij de inspanningen van drie geëngageerde ondernemers uit de buurt. Van stageplaatsen tot beroepsopleidingen en van het certificeren van informeel werk tot het openstellen van een reeks fondsen voor kleine ondernemers – het vergroten van de inzetbaarheid van jongeren is een veelvoud van initiatieven met elk hun eigen kleine doelgroep.

De Wereldbank is daarover kritisch. In 2014 werd een agentschap opgericht voor werkgelegenheid voor jongeren, dat moest zorgen voor meer eenheid en samenhang in het versnipperde beleid, dat bovendien over allerlei instituties en ministeries was verdeeld.

De oprichting van het ANPEJ (Agence Nationale pour la Promotion de l’Emploi des Jeunes) is een fijne eerste stap, maar de samenhang blijft een uitdaging, oordeelt de Wereldbank in een evaluatierapport van eind 2018. Daarnaast schieten de fondsen tekort. Meer nog benadrukt de Wereldbank het probleem dat het huidige beleid vooral de bovenklasse bevoordeelt. Zo verbetert het technisch beroepsonderwijs – dat de laatste jaren in zwang is – de kansen van jongeren op werk aanzienlijk, maar slechts 7,7 procent van de jongeren die het basisonderwijs afronden, heeft toegang.

Het systeem bedient de goed opgeleide jongemannen uit de stad, de focus ligt vooral op beleid voor de formele sector. Is dat niet vreemd, als je bedenkt dat minder dan tien procent in de formele sector werkt? De meeste mensen leren werkvaardigheden binnen de familie en al doende in de informele sector. Dat biedt kansen, meent de Wereldbank, als je de competenties kunt certificeren – wat nog nauwelijks het geval is. ‘De synergie tussen de programma’s ontbreekt’, geven vakbondsleden van de UDTS toe.

Maar voor echt pessimisme is geen plaats – niet bij hen, maar evenmin bij het ministerie en de werkgevers. Wat telt, zeggen ze, is dat Senegal in beweging is. ‘Dit is het beste wat we voor de jongeren kunnen doen’, zegt Mbaye Sarr van de werkgeversvereniging

In de haven van Rufisque komt de dag bijna ten einde, men sleept de uitgeladen prauwen richting het strand. Het zijn dezelfde felgekleurde bootjes waarmee enkele duizenden Senegalese jongeren de oversteek waagden naar Europa – en waarbij honderden de dood vonden. Senegal is een van de meest voorkomende herkomstlanden van migranten die uit Sub-Sahara-Afrika naar het Westen trekken.

Het geld dat zij naar huis sturen, speelt een steeds grotere rol in de Senegalese economie. In 1990 ging het nog om 142 miljoen dollar aan overboekingen, in 2017 was dat bedrag geëxplodeerd tot meer dan twee miljard dollar – zo’n tien procent van het bnp. Of het creëren van meer banen in Senegal daarin verandering kan brengen, is volgens de meeste Senegalezen maar zeer de vraag; eerder het tegenovergestelde. ‘Migreren is niet voor de armen’, zeggen ze –wie met hulp van smokkelaars wil oversteken, moet flink betalen.

Voor Abdul Khadre is één ding zeker: zijn toekomst is hier. Tussen de zee en de haven van Rufisque.

Tekst en foto’s Eline Huisman, gepubliceerd in Vice Versa, september 2019

(vissersfoto's: Bas de Meijer

Publicatiedatum 25 03 2022