Hulp helpt, zegt Gamini De Silva ,de voorzitter van de textielbond tijdens een gesprek dat CNV-medewerker Jan Ridder met hem heeft in Colombo. Jan Ridder is in de hoofdstad van Sri Lanka, het voormalig Ceylon, voor een werkbezoek aan de NWC, de partnerorganisatie van CNV Internationaal in Sri Lanka.
De bond van Gamini heeft een programma opgezet dat speciaal gericht is op verbetering van de situatie van arme werknemers. CNV Internationaal financiert dit grotendeels. Gamini ziet de resultaten. In zijn woorden “we can really fight poverty: your support helps”, oftewel: ‘ wij kunnen armoede echt bestrijden, jullie hulp helpt.’
De aanpak van Gamini’s organisatie werkt. Zij organiseren trainingen waarin werknemers uiteraard leren over hun rechten. Maar ook de plichten komen aan bod. Want een vakbond die ook aandacht heeft voor plichten, dat is een interessante partner voor de werkgever. Op die manier bouwen de werknemersorganisaties krediet op. En dat maakt het weer mogelijk andere zaken te regelen die hard nodig zijn. Denk aan salarisverhoging en secundaire voorwaarden als sociale zekerheid en bijvoorbeeld de zorg voor weduwen en wezen. Niet de werkende zelf profiteert van verbeteringen, ook de uitgebreide familie waar ze voor zorgen..
Het is vreemd, maar op bezoek bij de textielbond valt het direct op. Zelfs hier zijn veel meer mannen lid van de bond dan vrouwen. Hoe kan dat toch in een sector waar 95% van de werknemers vrouw is? Ik vraag door over dit verschil. Volgens de voorzitter zelf hangt dit samen met de cultuur: ‘vrouwen zien vakbondswerk nog te vaak als een mannenzaak.’ De meesten zijn schoolverlaters. Enkelen hebben een goede opleiding. Kans op werk buiten de fabriek maken ook zij nauwelijks.
Enkele jonge vrouwen die wel in het bestuur zitten nuanceren het beeld. Hoe kan het dat zij gezien deze cultuur, toch lid zijn geworden?’ ‘Dat is te danken aan de Friendship Houses vertelt Niranjali Sudammika. Ik ben niet in de fabriek in aanraking gekomen met de vakbond, maar via het ‘Friendship House’. Daar heb ik zelf ook trainingen gevolgd. Daar ben ik ook lid van de textielbond geworden en later ook in het bestuur gekozen’.
Vrouwen in de lift via Friendship House
De Friendship Houses zijn eigenlijk uit nood geboren. Vakbond NWC mocht namelijk niet opereren in de zogeheten vrijhandelszone’s. Dat zijn door de overheid aangewezen industriegebieden waar bedrijven zich onder gunstige voorwaarden kunnen vestigen. Die ‘gunstige’ voorwaarden maken vakbondswerk binnen bedrijven echter bijna onmogelijk. Terwijl de textielarbeiders het vaak moeilijk hebben. Het zijn meest jonge werkneemsters. Ze leven in kosthuizen, ver van hun familie.
Om de textielarbeiders toch te helpen, heeft de NWC Friendship Houses opgezet. Daar kunnen ze terecht voor een beetje ontspanning. Daar kunnen ze boeken lenen en lezen, tv kijken. En daar kunnen ze terecht voor hulp bij allerlei moeilijkheden die zij tegenkomen in hun werk.
Via allerlei trainingen in die Friendship Houses leren ze over arbeidswetgeving en wat hun rechten en plichten zijn. Alle vier de vrouwen in het bestuur van de textielbond zijn via een Friendship House bij de bond beland.
Een aantal jaren geleden is een dergelijk Friendship House met steun van CNV Internationaal opgezet. Toen was het een innovatieve en creatieve activiteit, zo’n gastvrij tehuis. Ik hoop komende dagen gelegenheid te hebben het te bezoeken. Mooi om te zien dat het voor de NWC nog steeds werkt. Dat ze op deze manier nieuwe leden bereiken. En dat dit zelfs op termijn kennelijk een bron van vrouwelijke bestuursleden is.
Inderdaad, we bezoeken vrijhandelszones en spreken ‘organisers’ die daar vanuit het Friendship House vakbondswerk doen. Een struise dame is er coördinator en drie ‘ organisers’ helpen van daaruit de meisjes. Dat zijn meestal schoolverlaters. Van het platteland belanden ze zo in de wereld van het fabriekswerk. De organisers spreken de meisjes aan bij de poort van de vrijhandelszones. Waarom niet binnen? Het Ministerie van Arbeid zegt toch dat vakbonden wel toegestaan zijn. Helaas, de praktijk leert anders.
Vakbondswerkers zijn meestal niet welkom binnen de fabrieken. Gelukkig zijn er positieve uitzonderingen. Daar helpen de organisers bedrijfsbonden oprichten. Ze verzorgen trainingen, voeren overleg met de werkgever, voeren cao-onderhandelingen en vertegenwoordigen de fabrieksarbeiders bij individuele of gezamenlijke conflicten.
We bezoeken een bedrijf waar de vakbond NWC 1000 leden heeft, ruim 30% van de werknemers. Allemaal in het geheim. Want ze zouden op straat gezet worden, zodra de bedrijfsleiding er lucht van zou krijgen dat ze lid zijn. Eerst moet de NWC 40% van de werknemers organiseren. Pas dan kunnen ze deze groep openlijk als bond registreren. Pas dan kunnen ze ook daar het vakbondswerk in de breedte aanpakken. We spreken het management, dat overigens redelijk goede arbeidsomstandigheden mogelijk maakt. Maar vakbondsvertegenwoordiging gaat nu eenmaal makkelijker met officiële erkenning.
Bij ontmoetingen met de werkgeversorganisatie, het Ministerie van Arbeid en de lokale vertegenwoordiging van de ILO (VN organisatie voor arbeid) probeer ik ook een indruk te krijgen van de reputatie die de NWC in Sri Lanka heeft. Zonder uitzondering geven zij aan dat de NWC een redelijke vakbond is, die gaat voor dialoog, waar mogelijk. Bijna alle andere bonden zijn zwaar verbonden aan politieke partijen. Zij hanteren bij voorkeur agressieve drukmiddelen, zoals stakingen.
Dat heeft de naam van vakbonden hier enorm beschadigd. Niet alleen hier trouwens, dezelfde klachten hoorde ik ook in een land als Nepal. Door hun werk en methodes laat de NWC zien dat het anders kan. Een goede relatie met de werkgever is niet hetzelfde als deze altijd gelijk geven.
Een lange reis naar het zuiden, langs de kust, brengt me dwars door het tsunami-gebied. Nog niet alles is hersteld of herbouwd. In Galle passeer ik het oude, grote VOC fort. Onverwoestbaar. Uiteindelijk arriveren we landinwaarts bij een thee- en rubberplantage. De prachtige, groene heuvels zijn bedekt met eindeloze rijen met bossages thee. Op de vlakkere stukken is de thee gecombineerd met rubber. Deze rubberbomen geven ook de gewenste schaduw.
Op een aantal plantages hebben rubbertappers en theeplukkers (v/m) dankzij de NWC een rest room. Een overdekte met ruimte om te eten en een wc. Dat scheelt reistijd naar huis en geeft enig comfort tijdens de pauze. Vaak draagt de werkgever graag bij door water en licht te betalen. Zijn werknemers zijn zo immers minder lang weg in de pauze.
Zo heeft ook de consumentencoöperatie een winkel vlak bij het werk. Daar kunnen werknemers goedkoop de dagelijkse boodschappen doen. Ook dat scheelt reis- en dus werktijd op de toch al lange werkdagen. Bij sommige is het zelfs mogelijk op krediet kopen. Tot de limiet die het bestuur van de coöperatie heeft gesteld. Geen overbodige luxe. Winkels in de omgeving verlenen eindeloos krediet. Daardoor raken theeplukkers en rubbertappers uitzichtloos diep in de schulden.
Dat krediet is belangrijk als je niet altijd werk hebt. De theepluk is immers seizoensgebonden. De NWC geeft ook cursussen ‘economic literacy’, Daar leren werkers dat het belangrijk is om te sparen wanneer ze meer verdienen. Dan hebben ze ook nog financiële middelen in zwaardere tijden. Daarmee helpt de NWC mensen daadwerkelijk uit de armoede. Of voorkomt dat ze daarin belanden. Daarnaast krijgen ze als bond veel goodwill: ‘dat is nu een vakbond die echt iets doet’ zei iemand tegen ons.
Als ik dit verhaaltje in de computer zet, ben ik inmiddels op Colombo Airport. De vlucht voor het eerste stuk retour Nederland is vertraagd. Ik kijk terug op een intensieve maar zeer informatieve missie. De NWC is daar waar de werkers hun het hardst nodig hebben. Zij hebben terecht de naam echt vakbondswerk te doen. Via verschillende inventieve methoden weten ze de werkers te vinden en te ondersteunen. Dat erkennen mensen die het kunnen weten: managers, de werkgeversorganisatie en ook de ILO, de VN organisatie voor arbeid.
Sri Lanka, september 2010, Jan Ridder, programmamedewerker Azië
Lees meer over CNV Internationaal en Sri Lanka op de Sri Lanka landenpagina